De mossel.

MOSSEL (Mytilus edulis)

De kleur is blauwzwart niet glanzend periostracum, bij jonge exemplaren soms geel doorschijnend; binnenzijde parelmoer-glanzend.
Het vlees is geelwit met donkerviolette mantelrand.
Typische vorm: lang, asymmetrisch, de schelp vrij dun en hard en een slot zonder tanden.
Spint zich met byssusdraden vast op de bodem of aan palen, rotsen e.d., van hoog in de getijdenzone tot 20 m diepte.

Hoewel de mosselen in onze streken een gekweekt product zijn, vindt men soms verrassingen in de schelp, zoals het erwtenkrabbetje, Pinnotheres pisum, een diertje dat bij de mossel inwoont en geen schade aan het product toebrengt.
Ook bevatten mosselen nu en dan kleine parels, vaak meerdere per schelp, die worden gevormd door een combinatie van een parasitair organisme en milieu omstandigheden.

'Slikmosselen' worden bijzonder gevreesd door consumenten van mosselen.
Ze kunnen in de pan opengaan en zo de smaak van het hele kooksel bederven.
Een slikmossel ontstaat als de mossel onder zand of slik bedolven raakt en sterft en de schelp zich vervolgens met stinkend slik vult.
In tegenstelling tot bij onder ,normale' omstandigheden gestorven mosselen, gaapt de schelp dan niet en lijkt het geheel bedrieglijk veel op een levende mossel.
Te onderscheiden door een meestal doffe schelp en een iets groter gewicht dan even grote, levende mosselen.

Een ander probleem voor de consument is de vraag hoe een bedorven mossel te herkennen.
Een zak mosselen kan soms, meestal in de zomer, enkele 'gapers bevatten: mosselen die openstaan.
Hoewel grote hoeveelheden daarvan erop duiden dat de mosselen niet al te vers zijn, is het voorkomen van enkele openstaande exemplaren vrij normaal.
Een mossel kan als echt dood worden beschouwd wanneer hij, nadat de schelpen met de hand enige malen zijn dichtgeknepen, niet uit zichzelf gesloten blijft.
Zulke mosselen kunnen beter worden weggegooid.
De versheid van een mossel kan ook worden getest door hem in de hand te nemen en met de duim te proberen de schelphelften over elkaar te schuiven.
Bij een volkomen verse, vitale mossel lukt dit maar één keer, waarna het dier de schelpen onwrikbaar sluit.
Een verzwakte mossel (die overigens nog van uitstekende kwaliteit is, maar wel op korte termijn moet worden geconsumeerd) laat toe dat de schelphelften over elkaar worden bewogen.
Op deze manier kunnen ook eventuele slikmosselen worden ontdekt.

Gebruik: Gekookt, gebakken, gestoofd, gefrituurd, soms rauw.
Leent zich voor een veelheid van verwerkingsmogelijkheden: in sauzen, salades, ragouts, soepen, ingelegd in zuur of andere marinades, enzovoorts.

Lengte: soms tot meer dan 10 cm, meestal 3 - 4 ,5 cm (wild) Of 4-6 cm (gekweekt).

VERSPREIDING

Verspreidingsgebied van de mossel.
Print deze pagina | Terug