
De kleur van de OESTER (Ostrea edulis) is variabel; bruinachtig
periostracum.
Grondvorm rond, met soms aan weerszijden van het slot asymmetrische
'oortjes'; de vorm varieert echter sterk, al naar de
herkomst.
Schelphelften zijn ongelijk; de linker klep is schotelvormig, de
rechter is plat.
De schelp is samengesteld uit verkalkte hoornige schubben.
Het dier bezit een grote centrale sluitspier.
Leeft in rustig water, vastgehecht op rotsen en andere vaste
voorwerpen, op zanderige en slikkerige bodems in baaien en
estuaria.
Ze komen ook wel voor in de open zee tot een diepte van 80 m.
Wordt in zijn
VERSPREIDING beperkt omdat de watertemperatuur in de zomer enkele
weken meer dan l6º C. voor de paring zoet water opzoekend moet
bedragen.
Het uiterlijk en ook de kwaliteit van de gekweekte platte oester
varieert met de plaats van herkomst.
Zo onderscheidt men de 'Belons' uit Bretagne, de 'Imperialen',
grote oestersuit de Oosterschelde en de Grevelingen en de
'Colchester' uit de Mersey in Groot-Brittannië.
Als gevolg van een ziekte in de Europese oesterbestanden is de
platte oester schaars geworden, waardoor de prijs ervan aanzienlijk
is opgelopen.
In veel gevallen is de rol van O. edulis overgenomen door de
goedkopere maar kwalitatief mindere Japanse oester (Crassostrea
gigas).
Door gunstige wisselkoersverhoudingen wordt de platte oester de
laatste jaren ook uit de VS geïmporteerd.
Gebruik:Vrijwel uitsluitend rauw geconsumeerd, hooguit met een
drupje citroensap of wat peper; soms in schotels, soepen of sauzen
verwerkt; gepocheerd, gebakken of gegratineerd.
Oesters gaan per traditie vergezeld van een witte wijn van niveau
of champagne.
Lengte: soms 13 cm of groter, meestal 6-10 cm.
