Deze is de grootste van de Europese mantelschelpen.
Schelpen ongelijk, bovenste (linker) schelp plat, bruinroze van
kleur; onderste schelp hol, wit tot zachtroze van kleur, met 15 -
17 forse, afgeronde ribbels.
Op de mantel, die bij geopende kleppen naar buiten steekt, zijn
lichtgevoelige oogjes zichtbaar.
Leeft op stevige zand - of kleibodems op diepten tot meer dan
100 m.
Er wordt vooral op de schelp gevist om het vlees van de sterk
ontwikkelde en buitengewoon smakelijke sluitspieren en om het
kuit.
Er wordt gevist op de Sint Jacobsschelp met grote, tot 2 m brede
sleepnetten(korren).
Aanvoer: Schelpen met kuit (de duurste en meest begeerde) tussen eind januari en maart (Britse Eilanden). In de zomer vindt er doorgaans geen verse aanvoer.
Gebruik: Bakken, grillen, kort stoven, in een veelheid van
onvolprezen recepten. Het kuit wordt vers verkocht.
De sluitspieren worden veelal individueel diepgevroren en
geglaceerd op de markt gebracht.
Lengte: max. 17 cm, gemiddeld 10 - 12 cm.