
Het lijf is vrij hoog
De bovenkaak is lang: hij loopt door tot achter het oog.
De staartvin is ondiep ingesneden.
De regenboogforel is afkomstig van de westkust van
Noord-Amerika.
Eerst heeft men de vis uitgezet in andere delen van Noord-Amerika
en in 1880 heeft men hem overgebracht naar Europa.
Vervolgens is hij ook in andere werelddelen terecht gekomen.
Aanvankelijk was het alleen de bedoeling de plaatselijke fauna
te verrijken.
Later ging de commercie een belangrijke rol spelen.
Deze vis leent zich goed voor de teelt, maar ondanks alle pogingen
die door vissers ondernomen zijn, vormt hij maar zelden populaties
die zich kunnen voortplanten.
Steeds weer moet men pootvissen, die men zelf heeft opgekweekt,
uitzetten.
Door een intensieve selectie zijn er talloze varianten ontstaan
van uiteenlopende kleur, maar met als blijvend, gemeenschappelijk,
kenmerk de roze-rode band die over het midden van de flank loopt,
van de kop tot aan het begin van de staart.
De kop, de rug, de zijkanten en de rug- en staartvin zijn vrij
dicht bezaaid met zwarte vlekjes.
De regenboogforel is even gevoelig voor vervuiling als de gewone
forel, maar kan leven in iets warmer en minder zuurstofrijk
water.
Bovendien heeft hij niet zoveel schuilplaatsen nodig als de
beekforel.
Op 2 tot 3 jarige leeftijd wordt de regenboogforel
geslachtsrijp; hij wordt 5 - 6 jaar oud, in vrijheid zelfs wel 18
jaar of meer.
In Europa paait hij tussen november en mei.
Het kuitschieten gebeurt in snelstromend water, in kuiltjes in de
kiezelige bodem.
Meestal zijn het de vrouwtjes die deze nestjes graven.
Om zijn voortreffelijke smaak wordt de regenboogforel zeer veel
gekweekt in vijvers.
Sinds enige jaren is een bijzondere kweekmethode in zwang, in
kooien, die men in stuwmeren laat zakken.
Lengte: 60 - 90 cm, max. 120 cm.
Gewicht: gemiddeld 1 - 3 kg, zelden 6 -10 kg, max. 24 kg.
