Kenmerkend zijn het zijdelings samengedrukt lijf en de ronde
buik (anders dan bij het geslacht Alosa).
De onderkaak steekt vooruit en de bovenlip is niet gespleten.
Aan de onderkant van de staartvin zitten geen schubben.
De rug is donker van kleur, met een groene en blauwige glans, de
zijkanten zijn lichter en de buik is zilverwit.
De kieuwdeksels en de flanken kunnen een gouden schittering
vertonen.
Haringen komen naar de kust om te paaien (de voornaamste
paaigronden liggen voor de kust van Noorwegen).
De paaitijd valt in maart en april.
De eitjes worden gelegd op een zanderige of kleiachtige bodem, op
een diepte van
130 - 250 m en bij een temperatuur van 4 - 7º C.
Na 2 - 3 weken komen de eitjes uit.
Na het paaien gaan de volwassen vissen terug naar open
zee.
De eitjes en de pootvissen zijn pelagisch (in diepzee levend) en
worden door de zeestromen meegevoerd, ver van de plaats waar het
legsel uitkomt.
In de eerstvolgende herfst keren de jonge haringen, die dan 4 - 6
cm lang zijn, terug naar de kust.
Behalve de haringen die in het voorjaar paaien, zijn er ook rassen die in het najaar kuitschieten, ver van de kust, op zandplaten.
Een haring kan wel 25 jaar oud worden.
Voor de handel is het een van de belangrijkste vissoorten.
Lengte: tot 45 cm.
Gewicht: tot 0,7 kg.
