heeft een stevig, afgeplat lichaam en is gewapend met grote
kaken, waarvan de achterste rand verder reikt dan het midden van
het oog.
De onderkaak steekt naar voren, zowel de boven - als de ondertanden
zijn zeerkrachtig.
De zijlijn vertoont boven de borstvin een welving.
Aan de oog zijde is de heilbot groenbruin, soms donkerbruin tot
zwart, de blinde zijde is vuilwit.
De heilbot groeit vrij snel, mannetjes van tien jaar zijn 1 meter lang en 16 kg zwaar, vrouwtjes van dezelfde leeftijd zijn 1,3 meter lang en 30 kg zwaar.
De vissen paaien aan het einde van de winter en in het begin van
de lente, op 300 - 700 meterdiepte, in water van 5 - 7 º
C.
De eitjes zijn 3,5 - 4,5 mm in doorsnee.
Mannetjes worden op hun 7e of 8e jaar geslachtsrijp, vrouwtjes op
hun 10e of 11e jaar.
De ontwikkeling van het embryo duurt 2 - 3 weken.
De larven drijven in het water en gaan naar de bodem, wanneer ze
circa 4 cm lang zijn.
Daar voltrekt zich de metamorfose, in samenhang met de veranderde
levenswijze.
Bij de heilbot is de linkerzijde blind.
Tot hun tweede of vierde blijven de jonge vissen dichtbij de
kust.
Hoe groter ze worden, des te meer verwijderen ze zich van de kust
en ten slotte installeren ze zich op grote diepte (100 - 1500
meter).
Na het paaien ondernemen de vissen een tocht naar het noorden, om
voedsel te zoeken. Tegenwoordig worden de vrouwtjes max. 30 jaar
oud.
De jonge vissen eten grote schaaldieren (krab, garnalen) en vissen
van meer dan 35 cm lengte eten uitsluitend vis.
De heilbot leeft boven een zanderige of stenige bodem, maar is
beslist niet aan de ondergrond 'gebonden': het is een actieve
roofvis, die niet alleen de bodem, maar ook het water als zijn
jachtterrein ziet.
De heilbot is voor sommige landen van groot economisch
belang.
Het witte, smakelijke vlees wordt vaak gerookt verkocht.
Lengte: 150 - 180 cm (mannetje), max. 470 cm: 200 - 230 cm
(vrouwtje).
Gewicht: 15 - 20 kg, max. 350 kg.