De baarddraad aan de kin is klein, maar goed zichtbaar en de
staartvin is ingesneden.
De rug en de bovenkant van de kop zijn donker olijfgroen, soms
bruin tot zwart, de flanken zijn grijsgeel, de buik is
zilverwit.
De koolvis is een grote vis, die in het hele verspreidings
gebied paait, tot IJsland en de Lofoten aan toe.
Het kuitschieten gebeurt in januari/februari tot mei/juni, op 100 -
200 meter diepte, boven een kleiachtige bodem, in water met een
temperatuur van 6 -10º C. en een zoutgehalte van 35%.
Deze schelvisachtige is zeer vruchtbaar.
De ontwikkeling van het embryo duurt 10 - 15 dagen en bij het
uitkomen van de eitjes zijn de larven 3 - 4 mm lang.
De zeestromingen voeren hen ver van de paaigronden.
Aan het einde van de herfst zijn de pootvissen al 15 - 20 mm
lang.
Op zijn 6e jaar bereikt de vis een lengte van 60 - 70 cm, op zijn
10e jaar is hij 70 - 80 cm lang.
Op zijn 5e of 6e wordt hij geslachtsrijp.
De koolvis leeft in scholen, ofwel dicht bij de bodem ofwel
middenin het water boven het continentale plat.
De vissen ondernemen regelmatig lange tochten, in de zomer naar het
noorden om voedsel te zoeken en in de herfst weer naar het
zuiden.
Het smakelijke vlees wordt veelal ingeblikt en onder de benaming 'zeezalm' op de markt gebracht.
Lengte: 60 - 90 cm, max. 130 cm.
Gewicht: 2 - 5 kg, max. 12 - 14 kg.