kun je herkennen aan de rij bijvinnetjes achter de tweede
rugvinnen de anale vin en aan het lange, krachtige achterlijf, dat
uitloopt in een diep ingesneden staartvin.
De twee rugvinnen staan vrij ver van elkaar af; de eerste heeft
meer dan 9 stralen.
De makreel heeft geen zwemblaas.
Over de rug van de makreel lopen blauwgroene en donkere
golflijnen.
Makrelen leven in grote scholen, in de kuststrook vooral.
Zelden begeven ze zich buiten het continentale plat.
Meestal zwemmen ze dicht aan de oppervlakte, maar omdat ze geen
zwemblaas hebben kunnen ze heel snel onderduiken, tot op 300
meter.
In de loop van het jaar ondernemen makrelen lange tochten, zowel
om te gaan paaien als om voedsel te zoeken.
Op hun 3e of 4e jaar worden makrelen geslachtsrijp.
De paaitijd is van mei tot juli.
De eitjes drijven in het water.
Na het paaien trekken makrelen naar het noorden en in de winter
zakken ze weer af naar het zuiden en gaan ze ook meer naar de
diepte.
Voor de visserij is de makreel van groot belang, sinds vele
jaren behoort hij tot de tien meest gevangen vissoorten van de hele
wereld.
Omdat er sprake was van overbevissing, heeft men op internationaal
niveaubesloten tot de instelling van quota.
Het vlees van de makreel is vet, sappig en zeer smakelijk.
Het wordt op allerlei manieren bereid.
Makreel dient ook als voedsel voor roofvissen.
Lengte: 30 - 40 cm, max. 60 cm.
Gewicht: 1 - 1,6 kg.