De pladijs is nauw verwant aan de vissen van de geslachten
Liopsetta en Limanda: de ogen liggen op de rechterzijde en op deze
regel zijn maar weinig uitzonderingen.
Achter de ogen heeft de pladijs een soort benen kam, die doorloopt
tot het begin van de zijlijnen uit 4 - 8 vrij lage knobbeltjes
bestaat.
Beide zijden van het lichaam zijn bedekt met kleine
cycloïdschubben, de zijlijn loopt midden over de flanken is
vrij recht, alleen boven de borstvin vertoont ze een lichte
welving.
Op de kaakhelft aan de blinde zijde van het lichaam zijn de tanden
beter ontwikkeld.
De oog zijde van de pladijs is bruin tot groenbruin met helderrode
of oranje spikkels, die ongelijk verdeeld zijn over het lijf, de
kop en de ongepaarde vinnen.
De rechterzijde is wit.
De pladijs leeft gewoonlijk op een zanderige bodem, op 1 - 250
meter diepte (meestal op 10 - 15 meter).
Jonge exemplaren kunnen het in water met een laag zoutgehalte goed
uithoudenen zwemmen zelfs wel de rivieren op.
De paaitijd is van januari tot mei.
De eitjes en de larven drijven aanvankelijk in de bovenste
waterlagen.
Wanneer de jonge visjes 13 - 17 mm lang zijn, gaan ze naar de
bodem.
In het zuidelijkdeel van het verspreidingssgebied worden de
mannetjes op 3 tot 6 jarige leeftijd geslachtsrijp en in het
zuidelijk deel op 8 tot 10 jarige leeftijd.
Bij de vrouwtjes duurt het ongeveer een jaar langer voor ze
geslachtsrijp zijn.
Een pladijs kan 25 - 30 jaar oud worden.
Hij eet vooral tweekleppige schaaldieren, waarvan hij de schelpen
breekt met de sterke tanden in de keelholte.
Ook jaagt hij wel op visjes, die vlak boven de bodem
rondzwemmen.
Voor de Nederlandse visserijvloot is de pladijs van groot economisch belang.
Lengte: 40 - 60 cm, max. 90 - 100 cm.
Gewicht: 1 - 3 kg, max. 7 kg.