Deze heeft een hoog, stevig lijf, dat de vorm heeft van
een bijna volmaakte cirkel.
De kop is groot.
De rugvin begint op de kop, voor het oog; de eerste vinstralen zijn
enkelvoudig.
Het lichaam is niet met schubben bedekt.
In plaats hiervan zitten er aan de 'oog'zijde (en in mindere mate
ook aan de 'blinde' zijde) benen knobbeltjes op de huid, die scherp
aanvoelen.
De zijlijn is aan beide kanten goed zichtbaar.
Boven de borstvinnen vertoont ze een welving.
De kleur van de vis verschilt sterk, al naar gelang de
ondergrond waarop hij rust.
De linkerkant is over het algemeen grijsbruin tot olijfkleurig en
zit vol donkerbruine vlekjes.
De rechterzijde is meestal lichter, zonder pigment.
De tarbot leeft in ondiepe kustwateren, op 80 - 100 meter.
Op zijn vijfde wordt hij geslachtsrijp.
Het paaien gebeurt tussen april en augustus, onder de kust, op een
diepte van 10 - 40 meter.
In de kuit zitten ontzaglijk veel eitjes.
Zolang de larven in het water drijven, zijn ze symmetrisch en
hebben ze een zwemblaas.
Wanneer ze een lengte van 2,5 - 3 cm bereikt hebben, veranderen ze
van vormen gaan ze een benthaal leven leiden.
Jonge tarbotten leven in ondiep water voor de kust en eten
ongewervelde bodemdiertjes.
De tarbot is van groot economisch belang, het witte vlees smaakt voortreffelijk.
Lengte: 50 - 80 cm, max. 1 m.
Gewicht: 2 - 12 kg, max. 25 kg.