De naam duidt op zijn platte vorm of, liever gezegd, vergelijkt
deze vorm met gebruiksvoorwerpen of andere gewone dingen, waar hij
de bewoners van verschillende landen aan doet denken.
De meest verbreide volksnamen zijn dan ook: 'zeetong', 'zool' of
'sandaal'.
De tong heeft een kleine, ronde kop met kleine ogen en een bek in
de vorm van een komma. Bij het jagen gaat hij dan ook meer op zijn
reuk- dan op zijn gezichtsvermogen af.
De neusgaten aan de blinde zijde zijn iets gezwollen, maar hebben
toch niet de vorm van een rozet.
Aan dezelfde kant zitten wratjes bij de bek.
Aan de bovenkant is de tong bruin met donkere en lichte vlekjes en
spikkels, de rechterzijde is roomwit.
De tong leeft op zandbodems, op 10-100 meter diepte, bij
uitzondering tot op 200 meter.
Op 1,5-3 meter worden meer pootvissen aangetroffen.
Tongen paaien van april tot augustus, dichtbij de kust, op 40-50
meter diepte.
De larven drijven eerst in het water.
De verschuiving van het oog van de linker- naar de rechterzijde en
de andere aanpassingen aan het leven op de bodem beginnen wanneer
de larven 12-15 mm lang zijn.
Volwassen tongen brengen de dag gewoonlijk op de bodem door,
verscholen in het zand.
's Nachts gaan ze op zoek naar voedsel; dan wagen ze zich zelfs wel
aan de oppervlakte.
Ze eten vooral wormen en weekdieren.
Tongen kunnen 20 jaar oud worden.
Op deze tongsoort wordt het meest gevist en vooral door de
Nederlandse vissers.
Om overbevissing te voorkomen is voor deze vissoort een quota
ingesteld.
Het fijne, witte vlees is van zeer hoge kwaliteit.
Lengte: 30-45 cm, max. 60 cm. Gewicht: 1-2 kg, max. 3 kg.