Deze kan je herkennen aan de drie rugvinnen, de twee
aaneen gegroeide aarsvinnen en de vrijwel recht afgesneden
staartvin.
De kindraad is kort en ontbreekt bij de volwassen vissen
helemaal.
De rug van de wijting is groenblauw, de zijden zijn geelgroen, de
buik is roomwit en vertoont bij de levende vissen een zilveren
schittering.
Aan de basis van de borstvin zit een zwarte vlek.
Voor de kust van IJsland groeit de wijting het snelst en in de
Zwarte Zee worden de kleinste exemplaren aangetroffen.
Het paaien gebeurt het hele jaar door, met een piek tussen januari
en juli, in de winter op 100 - 150 meter boven de bodem, in de
zomer op circa 80 meter boven de bodem.
Het kuitschieten wordt 3 - 5 keer onderbroken en de vruchtbaarheid
kan dan ook slechts ruw geschat worden.
De larven blijven dichtbij de kust, op een diepte van max. 100
meter.
Na het verteren van de dooierzak vertoeven ze op niet meer dan 60
meter diepte, ook op plekken waar de zee 1000 - 2000 meter diep
is.
Na een jaar trekkende jonge wijtingen naar de kust. In het 2 -
4e levensjaar worden ze geslachtsrijp.
De volwassen vissen eten vooral vis (sprot, sardine), maar ook wel
veelborstelige wormen en vlokreeftjes.
Tussen 10 uur 's morgens en 2 uur 's middags nemen ze bijzonder
veel voedsel,'s nachts eten ze heel weinig.
De wijting is een in koud water levende vissoort, met een
voorkeur voor kustwateren meteen zand- of kleibodem.
Tijdens de trek legt hij geen grote afstanden af.
Lengte: 30 - 40 cm, max. 70 cm, in de Zwarte Zee max. 20
cm.
Gewicht: tot 3 kg.