Deze onderscheidt zich van de forel door de dunne
staartsteelen de iets meer ingesneden staartvin, de kortere
bovenkaak, die niet tot achter het oog reikt, het grotere aantal
stekels op de eerste kieuwboog
Het aantal tanden in het verhemelte en het ploegschaarbeen, de
lengte van de stralen van de anale vin en ten slotte door de
kleurstelling.
Deze kan trouwens sterk veranderen.
In de paaitijd verschijnen er rode en oranje vlekken op de kop
en aan de flanken en wordt de buik roze, buiten de paaitijd is
heeft het mannetje dezelfde kleur en bouw als het vrouwtje.
De Europese zalm vermenigvuldigt zich alleen in zoet water.
Wanneer ze geslachtsrijp zijn (op 4 tot 5 jarige leeftijd),
zwemmen de vissen de rivier, waarin ze geboren zijn, op om de
paaigronden te bereiken, die verder stroomopwaarts liggen dan die
van de forel (S. trutta).
Daarbij kunnen ze over obstakels van wel 2 meter hoog
springen.
Eenmaal aangekomen op de paaiplaats, graven de vrouwtjes met
heftige bewegingen van hun lijf ronde nesten, waarin ze hun eitjes
deponeren.
Het paaien gebeurt gewoonlijk in oktober, november of december,
waarna de meeste vissen (vooral de mannetjes) sterven.
Sommige kunnen nog een keer voor nakomelingen zorgen.
De eitjes komen pas in het voorjaar uit.
De jonge vissen vormen groepjes en zakken geleidelijk de rivier af,
sommige doen er wel drie jaar over om de zee te bereiken.
Ze eten vooral schaaldiertjes en visjes.
Op allerlei manieren wordt er op zalm gevist, zowel in zee als
tijdens de trek naar de paaigronden.
Zalm wordt beschouwd als de meest verfijnde vis.
De populaties lopen echter steeds meer terug door de overbevissing,
de vervuiling van het water en de aanleg van dijken en stuwen, die
de vissen tijdens hun trek belemmeren.
Lengte: 60 - 100 cm, max. 150 cm.
Gewicht: 3 - 15 kg, max. 35 kg.