Het sterk afgeplatte lichaam is niet met schubben bedekt.
Opvallend is de brede, vervaarlijke bek, die naar boven gericht
is.
Rond de onderkaak en op de flanken zitten rijen huidflarden, die op
toefjeswier lijken.
De zeeduivel heeft twee rugvinnen, de eerste bestaat uit drie
vrijstaande stekels en drie door een vlies verbonden stekels.
De vrijstaande stekels zijn uitgerekt tot tentakels; aan de punt
van de eerste zit een vlezig, vaak rafelig stuk huid (hengeldraad
of ilicium).
Hiermee worden prooidieren naar de bek getrokken.
De kleur van de zeeduivel past zich aan bij de ondergrond; de buik
is licht.
De zeeduivel houdt zich voornamelijk op in ondiepe kustwateren en hij kan niet goed zwemmen en daarom ligt hij meestal op de bodem, verscholen tussen de algen.
In de herfst verwijdert hij zich van de Europese kusten om in de
diepe wateren van de Atlantische oceaan te gaan paaien (op 1000 -
2000 meter).
Het kuitschieten gebeurt in januari en februari.
De ontwikkeling van de embryo's neemt vier maanden in beslag.
Onmiddellijk nadat de larven uit de eitjes gekomen zijn, gaan ze
een benthisch leven leiden. Deze ogenschijnlijk lompe, weinig
beweeglijke vis weet toch zijn kostje bij elkaar te
'hengelen'.
Hij jaagt op allerlei vissen en ongewervelde dieren, zelfs kleine
haaien trekt hij met de hengeldraad naar zich toe, waarna hij ze in
zijn brede muil laat verdwijnen.
Sommige exemplaren zijn zo vraatzuchtig, dat de inhoud van de maag
1/3 van het totale lichaamsgewicht uitmaakt.
Het vlees van de zeeduivel smaakt uitstekend.
Uit de alvleesklier wordt insuline gehaald.
Lengte: 1,5 m, max. 2 m.
Gewicht: 30-40 kg.