Is grijs tot zwart, de ongepaarde vinnen en de borstvinnen hebben een donkere rand en de buikzijde is bruin tot roomkleurig.
Kongeralen zijn een stuk groter dan palingen.
Ze paaien in het oostelijk deel van de Atlantische Oceaan, op
30º - 40º Nb en op een diepte van 3000 - 4000 m.
De populaties van de Middellandse Zee paaien ter plekke en door de
straat van Gibraltar komen ook heel veel larven deze zee
binnen.
Net als bij de paling heeft men heel lang gedacht dat de larven een aparte vissoort waren. Voor de metamorfose zijn deze larven tot 160 mm groot, veel groter dan die van de paling dus.
De kongeraal voedt zich met allerlei zoutwatervissen, haring en
schelvis vooral.
Ook grote schaaldieren zoals kreeft en krab valt hij aan.
Hij leeft dicht onder de rotsige kust, maar ook wel in volle
zee.
Het is nog niet bekend of hij lange tochten onderneemt (om voedsel
te zoeken of om te paaien).
Deze vissoort is niet van grote economische betekenis.
De meeste kongeraal wordt gevangen voor de zuidwestkust van Europa,
in de Noordzee wordt hij zelden in de netten aangetroffen.
Lengte: tot 3 m, de mannetjes tot 1,5 m.
Gewicht: tot 65 kg.