Van de familie der zeewolven is deze het meest algemeen in de
Europese zeeën.
Hij houdt zich voornamelijk tussen stenen, op zandtongen of in
gaten in rotsen op, soms tot op 200 meter diepte.
Over het langwerpige lijf loopt een rugvin van achter de kop tot
vlak voorde staartvin, waarvan hij wel duidelijk gescheiden
is.
De buikvinnen ontbreken, net als bij de andere zeewolven.
Opvallend is de brede bek met de krachtige, taps toelopende tanden
in de kaken.
De zeewolf is groen tot donkergeel; de buik is lichtgeel.
Op de flank zit een grofmazig netwerk van donkere lijnen.
Het paaien gebeurt waarschijnlijk in de tweede helft van de
winter, in de diepte.
De eitjes zijn 5,5 - 6 mm in doorsnee en blijven soms aan algen
hangen.
Bij het uitkomen van de eitjes zijn de larven soms wel 12 mm
lang.
Er hangt een grote dooierzak aan, die pas na 3,5 maand helemaal
verteerd is.
De zeewolf verplaatst zich door zijn lijf te laten golven, zoals
palingen doen.
Het is bekend dat zeewolven trekken, maar exacte gegevens daarover
ontbreken.
Men vermoedt dat ze in de lente naar het oosten gaan en in de
herfst terugkeren naar het westen.
De zeewolf wordt in de Atlantische Oceaan vaak in sleepnetten
gevangen.
Het is een voortreffelijk smakende vis.
Van de dikke, stevige huid worden tassen, schoenen en boekomslagen
gemaakt.
Lengte: 80 - 100 cm, bij uitzondering tot 120 cm.
Gewicht: 4 - 10 kg, max. 21 kg.