Een zeevis van gemiddelde grootte, met een hoog, zijdelings
afgeplat lijf en hoge, vooruit geschoven kaken.
Hij heeft twee rugvinnen, waarvan de eerste 9 - 10 sterke doornen
vertoont, en twee anale vinnen.
De voorste anale vin bestaat uit 3 - 4 stekels, die door een vlies
met elkaar verbonden zijn en de tweede heeft alleen weke
stralen.
Tussen de buik vinnen en de anale vinnen en ook aan de basis van de
rugvinnen en de anale vinnen zie je aan weerszijden een rij
huidstekels.
Ook op het kieuwdeksel en bij het oog staan stekels.
De kop en de rug zijn donkerbruin tot okerkleurig en over de
zijden lopen gele strepen.
De buik is zilvergrijs en op elke flank zit een grote roodbruine
vlek meteen gele rand.
De zonnevis leeft in de kuststrook, op diepten van 10 - 50 meter
gewoonlijk, maar hij kan afdalen tot 200 meter en hij komt ook wel
aan de oppervlakte.
Hij leeft alleen of in kleine groepjes en beweegt zich langzaam
voort.
Vaak gaat hij op zijn zij liggen, om vlak boven de bodem uit te
rusten.
Ook tijdens het zwemmen draait hij zich soms op zijn zij.
De zonnevis voedt zich vooral met kleine vissen, die in grote
scholen leven.
De paaitijd is van maart tot juni.
Het kuitschieten wordt enkele malen onderbroken en de eitjes
drijven in het water.
Het vlees van de zonnevis is van uitstekende kwaliteit; de smaak
doet niet veel onder voor die van kreeft of krab.
De dikke huid wordt soms als leer gebruikt, voor de vervaardiging
van tassen e.d.
Lengte: 30 - 50 cm, vrouwtjes tot 65 cm.
Gewicht: 1 - 2 kg, max. 8 kg.