Kabeljauw
Wetenschappelijk I Gadus morhua
Engels I Cod
Frans I Cabillaud Morue
Duits I Habeljau Dorsch
Spaans I Bacalao
Italiaans I Merluzzo binaco
Uiterlijk

Herkenbaar aan de korte baarddraad aan de kin, heeft een krachtig, langgerekt lichaam. De olijfgroene rug en zijden zijn bezaaid met kleine gele of bruinachtige vlekken, de zijlijn is duidelijk zichtbaar als een lichte band over het midden van het lijf en de buik is vuilwit. De bovenkaak is iets langer dan de onderkaak.

De kabeljauw groeit vrij snel, op zijn vijfde meet hij 40-50 cm, op zijn tiende 90 - 100 cm.

 


Lengte I 40 - 80 cm, max. 150-180 cm.

Gewicht I 2 - 4 kg, max. 40 kg, bij uitzondering zelfs wel 90 kg.

Voorkomen

Volwassen kabeljauwen leven in de onderste waterlagen boven het continentale plat, gewoonlijk op 250 - 300 m en max. op 500 m diepte. Ze verdragen ook een laag zoutgehalte en er zijn gevallen bekend van kabeljauwen die in rivieren zwommen. Sinds het begin van de zeevisserij is de kabeljauw van groot economisch belang.

Paaitijd

De paaitijd begint in februari en gaat door tot juni, met een piek in april en mei. De belangrijkste paaigronden van de kabeljauw liggen rond de Lofoten op een diepte van 30 tot 400 meter, waar de kabeljauw zich vermenigvuldigt bij een temperatuur van 4 - 7 º C. Na een maand ongeveer komen de eitjes uit. Kabeljauwen worden pas op hun zesde tot tiende geslachtsrijp, na de paaitijd trekken de vissen naar het noorden om voedsel te zoeken.

Meer info